Laatste glimp van het volksleven in de Bethaniënbuurt

Op het achterplat vermeldt een korte autobiografische notitie dat Simon van Blokland auteur is van meer dan twintig boeken. Daaronder zijn meerdere uitgaven over Amsterdamse prentbriefkaarten. Met zijn medeauteur Frans Duivis heeft hij gemeen dat hij vrijwel zijn leven lang in de Bethaniënbuurt in Amsterdam woonde. Voor de samenstelling van het boek vormde de grote betrokkenheid van de auteurs bij deze buurt geen bijkomstigheid. Ze kenden de opvallendste bewoners, de winkels en het brede scala aan kleine bedrijfjes persoonlijk en maakten mee wat er te beleven viel en hoe de buurt reilde en zeilde. Zij legden hiervan het nodige vast en verzamelden alles wat hen over hun woonbuurt interessant leek. Zodoende konden ze voor hun boek putten uit een bonte verzameling gegevens die nergens anders te vinden is.

De Bethaniënbuurt beslaat het gebied tussen de Oudezijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal van de Oude Hoogstraat in het zuiden tot de Bloedstraat in het noorden. De gehele strook tussen de Oudezijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal werd ongeveer omstreeks 1425 bij de stad gevoegd. In deze aanzienlijke stadsuitbreiding kwam omstreeks 1450 het klooster van Sint Maria Magdalena van Bethaniën tot stand, waarvan de zusters gehoorzaamden aan de Regel van Augustinus. De Barndesteeg vormde de noordelijke begrenzing van het Bethaniënklooster.
Ofschoon het Bethaniënklooster in de eerste plaats was bedoeld voor gevallen vrouwen, trok het weldra ook rijke dames en proveniersters aan. In 1462 kreeg het klooster van het kapittel van de Haagse Hofkapel toestemming een eigen kapel op te richten en deze te laten bedienen door een rector. Ruud Meischke van het bureau Monumentenzorg trof daarvan in 1961 in de huidige bebouwing nog restanten aan.
In de zestiende eeuw raakte het stadsklooster, net als veel andere in Holland, in ernstige nanciële problemen. Om de geldnood te verlichten gingen onderdelen van het uitgestrekte kloosterterrein al ver voor de Alteratie in 1578 in de verkoop. Zo raakte de Bethanienstraat na de verbreding in 1506 dicht bebouwd met burgerhuizen. In 1525 kwam langs de zuidzijde van de kloosterkapel de Koestraat te lopen. Aan de zuidzijde van die straat verrezen 'gewone' huizen. In 1535 werd nog een lap grond aan de stad verkocht, en in 1553 verhuurden de zusters een groot deel van het patershuis naast de kloosteringang aan de Oudezijds Achterburgwal. Na de Alteratie verkavelde de stad het kloostergebied voor uitgifte en ontstond er een dichte bebouwing. De kunstschilder en uitvinder van de brandspuit Jan van der Heyden vestigde zich in een gedeelte van de voormalige kloosterkapel.
In 1962 kreeg het vroegere kloosterterrein aandacht als een afzonderlijke buurt, toen een aantal monumentenorganisaties, waaronder Stadsherstel, Hendrick de Keyser, Diogenes en Bureau Monumentenzorg, voorstelde de 1,7 hectare grote buurt op te knappen.
Net als veel andere oude binnensteden in Nederland verkeerde het gebied in een erbarmelijk slechte staat. In enkele andere gemeenten hadden toen al spraakmakende opknapbeurten plaatsgevonden, zoals in Maastricht het Stokstraatkwartier. In die tijd ging de voorbereiding van gebiedsplannen in Amsterdam gepaard met een diepgaand onderzoek van het bestaande gebruik van de bebouwing, het zogenaamde bouwblokonderzoek. In 1956 en in 1962 legde de gemeente Amsterdam alle bestemmingen bijna tot de verdieping aan toe vast. De bevolking stond toentertijd uiterst argwanend tegenover de gemeente door de vele plannen tot sloop van tal van oude wijken en zelfs complete buurten in de binnenstad. De gemeentelijke diensten verdedigden de rigoureuze vernieuwingen door te wijzen op de hoognodige verbetering van de woonomgeving.
In het plan voor het aanpakken van de Bethaniënblok uit 1968, met de naam 'Nieuw leven voor een oude buurt', kreeg de vernieuwing van de woonomgeving, geheel volgens deze beleidslijn, veel aandacht. Het plan, dat was bedoeld als een voorbeeld voor de rest van de middeleeuwse binnenstad, beoogde de buitenste schil van de bebouwing op te knappen en waar mogelijk te restaureren. Om meer licht en ruimte met groen in de buurt te krijgen, stelde de dienst Stadsontwikkeling voor, de in de loop van de tijd volgebouwde binnenterreinen van de bouwblokken tot open binnenruimten te transformeren. Veel achterhuizen moesten het door deze voorgestelde opschoning ontgelden. De smalle stegen en straten tussen de Oudezijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal zouden vrijwel allemaal afgesloten worden voor rijdend verkeer en met de binnenterreinen een min of meer afgesloten voetgangersgebied vormen.
Het buurtplan, hoe goed ook bedoeld door de gemeente, leidde tot een stroom van protesten en ook Geurt Brinkgreve, destijds de opvallendste belangenbehartiger van het stedenschoon van de Amsterdamse binnenstad, keerde zich ertegen. Uiteindelijk ging het plan van tafel door de vele bezwaarschriften en kwam er een voorzichtiger aanpak voor in de plaats. Zo restaureerde de door Geurt Brinkgreve opgerichte stichting Bethaniënklooster de kloostergebouwen aan de Barndesteeg. Er kwam een zaal in voor uitvoeringen en recepties en acht woningen voor muziekstudenten.

Het boek van Van Blokland en Duivis sluit op een bepaalde manier dicht aan op de destijds uitgevoerde bouwblokonderzoeken. Achterin het boek besteden de auteurs uitgebreid aandacht aan deze onderzoeken. Aan de noordkant van de buurt tonen de afgebeelde 'bouwblok-bestemmingskaarten' van de gemeente veel witte vlekken. Die wezen op een bestemming die de gemeente niet mocht aangeven, aangezien die slechts gedoogd werd: prostitutie. Door hun kennis van de buurt hebben de auteurs alle bestemmingen alsnog op de kaarten kunnen inkleuren en beschrijven. De woonfuncties zijn in hun boek mensen van vlees en bloed geworden met namen en eigenaardigheden. Door hun onverdroten verzamelen van feiten en weetjes leren we sommigen vrij goed kennen. De lezers krijgen ook een haarscherp beeld van de vele winkels en zaakjes die deze volksbuurt in zijn laatste bloei telde.

Het boek is niet gedacht als een historische verhandeling volgens academische richtlijnen. Een historicus met een afstandelijke houding tot zijn of haar bronnen had dit verhaal ook nooit zo bijeen kunnen sprokkelen. In plaats daarvan verschaft het boek, door een minutieuze opsomming van alles wat er van een huis en de bewoners van weleer bekend is, een levendig en bont geschakeerd portret van een echte buurt in de oude binnenstad. Veel markante buurtbewoners komen in het boek tot leven. Niet alleen in tekst, maar ook in beeld. Met het wegnemen van de sluier van het verleden leveren de auteurs een bijdrage aan de rijke geschiedschrijving van Amsterdam.

Gert Eijkelboom en Gerrit Vermeer

Simon van Blokland en Frans Duivis, Het Bethaniënblok in Amsterdam. Onder de sluier van het verleden vandaan, Zutphen (Walburgpers) 2016, 240 p., prijs 39,95.

(Uit: Binnenstad 281, mei/jun. 2017)

Door in te loggen, kunt u ondermeer uw gegevens beheren. Alleen leden hebben een inlogaccount.

Reacties

Er zijn momenteel nog geen reacties op dit artikel.

Alleen als u bent ingelogd, kunt u een reactie plaatsen.